Banner Uilhoorn & Fritse
 

Einde aftrek een maand op opzegtermijn bij (pro forma) ontbindingen

08-01-2013


Met ingang van 1 januari 2013 treedt de 'Wet vereenvoudiging regelingen UWV' in werking. Eén van de onderdelen daarvan is van groot belang voor de nog redelijk vaak gevoerde zogeheten pro forma ontbinding van arbeidsovereenkomsten.

 

Er zijn meerdere manieren om een arbeidsovereenkomst te beëindigen. Werkgever en werknemer sluiten tegenwoordig vaak een beëindigingsovereenkomst. In die beëindigingsovereenkomst wordt meestal rekening gehouden met de zogenaamde fictieve opzegtermijn die het UWV hanteert om de aanvangsdatum van de WW-uitkering te berekenen.

 

Nadeel van de beëindigingsovereenkomst is dat het UWV geen aftrek van één maand op de opzegtermijn hanteert zoals dat wel het geval is indien de arbeidsovereenkomst is opgezegd nadat een ontslagvergunning van het UWV WERKbedrijf is verkregen. De - resterende - minimale opzegtermijn is overigens altijd één maand.

 

Partijen die een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten, kunnen om toch een maand aftrek te bewerkstelligen, afspreken dat de kantonrechter wordt verzocht de arbeidsovereenkomst ‘pro forma' te ontbinden. Door het UWV wordt in dat geval, net als bij het ontslagvergunningstraject, één maand van de fictieve opzegtermijn afgetrokken.


Onder andere om de rechterlijke macht te ontlasten is met ingang van 1 januari 2013 de aftrek van één maand op de door het UWV gehanteerde fictieve opzgetermijn om de aanvangsdatum van de WW-uitkering te bepalen, bij de (pro forma) ontbindingsprocedure vervallen.

 

Daarmee zijn de situaties rondom de fictieve opzegtermijn gelijkgetrokken bij (pro forma) ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, en het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst door het sluiten van een beëindigingsovereenkomst.

 

Mark Uilhoorn

 

 

 

« Nieuwsoverzicht

 

Nieuwsbrief
Nieuwsbrief