Banner Uilhoorn & Fritse
 

Verbod dragen borstbedekkende hoofddoek toegestaan

18-12-2014


Het College voor de Rechten van de Mens (vroeger: College voor Gelijke Behandeling) heeft op 9 december 2014 een oordeel gegeven over de vraag of sprake is van verboden onderscheid op grond van godsdienst door ziekenhuismedewerkers te verbieden om een borstbedekkende hoofddoek over werkkleding te dragen.

 

Stichting Jeroen Bosch ziekenhuis te Den Bosch hanteert het protocol "Algemene voorzorgsmaatregelen, persoonlijke hygiën van medewerkers". Dit protocol is volledig afgeleid van de door de Werkgroep Infectie Preventie (WIP) opgestelde richtlijn "Persoonlijke hygiëne medewerkers (opgesteld juni 2008, revisie juni 2013).

 

In paragraaf 9.4 van de WIP-richtlijn staat dat uit het oogpunt van infectiepreventie de WIP geen bezwaar ziet tegen het dragen van hoofddoekjes tijdens de verzorging dan wel behandeling van patiënten mits de hooddoek zo wordt gedragen dat het materiaal van de hoofdbedekking niet in contact komt of kan komen met de patiënt of met patiëntenmateriaal.

 

Het College heeft de WIP om deskundig advies gevraagd over het dragen van borstbedekkende hoofddoek over de werkkleding. De WIP heeft als volgt geadviseerd: "Overdracht van micro-organismen van en naar werkkleding vindt plaats en ligt dan ook ten grondslag aan een belangrijk deel van de richtlijn Persoonlijke hygiëne medewerker. De WIP adviseert het lichaam en/of de eigen kleding van schouder tot kniehoogte geheel te bedekken door werkkleding omdat juist dit gedeelte de grootste kans loopt besmet te raken met micro-organismen (door direct contact, druppels en spatten). Hieruit volgt dat kleding die de borst bedekt en over de werkkleding wordt gedragen, wordt gerekend tot werkkleding en aan de daaraan gestelde eisen moet voldoen. Een kledingstuk dat enkel het hoofd en/of de borst bedekt maar onder de werkkleding wordt gedragen, valt onder eigen kleding en de daaraan gestelde eisen. Het thuis wassen van werkkleding (in casu borstbedekkende kleding) is ongewenst omdat hiermee de microbiologische kwaliteit niet geborgd is. Dit is wel het geval bij het wasproces in een wasserij waar middels een kwaliteitssysteem risico's worden geanalyseerd en beheerst. De aanbevelingen gelden ook voor schoonmaakmedewerkers die (mogelijk) in contact komen met patiëntenmateriaal en/of de omgeving van de patiënt."

 

Op grond van art. 5 lid 1, onderdeel e Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) is het verboden onderscheid te maken op grond van godsdienst bij arbeidsvoorwaarden. Kledingvoorschriften die een werkgever aan de werknemers oplegt vallen onder arbeidsvoorwaarden. Het dragen van een (borstbedekkende) hoofddoek kan worden beschouwd als een uiting van geloofsovertuiging en wordt daarmee beschermd door de AWGB.

 

Het Jeroen Bosch ziekenhuis heeft maatregelen getroffen voor optimale hygiëne in het ziekenhuis voor patiënten, maar ook voor werknemers en bezoekers. Werknemers moeten werkkleding over de eigen kleding dragen. Het is verboden om over de werkkleding een hoofddoek te dragen die de borst bedekt. Het mag wel onder de werkkleding worden gedragen. Aan werknemers die een borstbedekkende hoofddoek dragen is ruimer vallende werkkleding aangeboden.

 

Het College oordeelt dat het verbod om een borstbedekkende hoofddoek over de werkkleding te dragen, een concrete invulling is van het algemene verbod om eigen kleding over de werkkleding te dragen. Het ziekenhuis maakt met het algemene verbod geen direct onderscheid tussen ziekenhuismedewerkers op basis van godsdienst.

 

Direct / indirect onderscheid

Het is alle ziekenhuismedewerkers, ongeacht hun geloof, verboden om eigen kleding over de werkkleding te dragen. Daarom is geen sprake van direct onderscheid. Als de situatie zich voordoet dat een werkneemster met een bepaald geloof bijzonder wordt getroffen door het verbod, is sprake van indirect onderscheid op grond van godsdienst.

 

Het maken van indirect onderscheid is niet verboden als voor het onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat. Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat is ingezet om dit doel te bereiken. Het doel moet legitiem (voldoende zwaarwegend) zijn, dan wel moet het beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn.

 

Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in een evenredige verhouding staat tot het doel. 

 

Het doel van het kledingvoorschrift is infectiepreventie en daarmee legitiem. Het middel - verbod tot dragen van borstbedekkende hoofddoek - om dat te bereiken is passend. Het belang van infectiepreventie prevaleert boven belang van werkneemster om borstbedekkende hoofddoek te dragen. Bovendien mag werkneemster deze hoofddoek dragen zolang dat maar onder de werkkleding is. Het middel staat in evenredige verhouding tot het doel.

 

Het College overweegt wel dat er een alternatief middel is, namelijk de borstbedekkende hoofddoek aanbieden als onderdeel van de werkkleding. De hoofddoek wordt in dat geval gewassen via een wasproces in een wasserij zodat microbiologische kwaliteit gewaarborgd is.

 

Oordeel

Het College komt tot het oordeel dat het ziekenhuis geen verboden onderscheid maakt op grond van godsienst als ziekenhuismedewerkers (waartoe ook schoonmakers gerekend kunnen worden) verboden wordt om een eigen borstbedekkende hoofddoek over de werkkleding te dragen.

 

Bron: College voor de Rechten van de Mens, 9 december 2014, oordeel 2014-152

 

Mark Uilhoorn, Uilhoorn & Fritse Advocaten

 

 

 

« Nieuwsoverzicht

 

Nieuwsbrief
Nieuwsbrief