Banner Uilhoorn & Fritse
 

Oproepkrachten 'dubbel' betalen

14-05-2013


De werkneemster is in de functie van taxichauffeur werkzaam bij een taxibedrijf. Naast het brengen naar en halen van school van kinderen, wordt de werkneemster ook op wisselende tijdstippen opgeroepen voor andere ritten. De werkneemster stelt met verwijzing naar de wet dat zij voor iedere rit minimaal 3 uur loon moet ontvangen, ook al duurde de rit korter.

 

Actualiteit: In het Sociaal Akkoord roept de Stichting van de Arbeid cao-partijen op het gebruik van nulurencontracten te beperken tot uitzonderlijke situatues en concrete afspraken daarover te maken. Voorgesteld wordt om een gezamenlijke voorlichtingscampagne te starten om werkgevers en werknemers te wijzen op de wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden met betrekking tot min-max en nulurencontracten, met name gericht op het rechtsvermoeden van de gemiddelde arbeidsduur en de drie uren per oproep. Dat deze voorlichting nodig is blijkt uit de besproken uitspraak.

 

Uitspraak

De ritten met de schoolkinderen duren ongeveer één uur per rit, en zijn vooraf voor het hele schooljaar toebedeeld. De andere ritten worden de dag van tevoren via een rooster bekend gemaakt of op de dag zelf telefonisch doorgegeven. Deze taxiritten sluiten niet aan op de schoolritten. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst stelt de werkneemster een loonvordering in. Zij is van mening dat - met verwijzing naar art. 7:628a BW - voor iedere losse taxirit, ook als deze korter duurde dan 3 uur, minimaal 3 uur loon betaald moet worden.

 

Art. 7:628a BW garandeert de werknemer voor iedere periode van minder dan drie uur waarin deze arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht. Volgens de wetsgeschiedenis is deze bepaling bedoeld om te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid moet worden verricht, zo min mogelijk voorkomen. Dat geldt tevens voor de onduidelijkheid over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht. De aanspraak op loon is compensatie voor de onzekerheid van de arbeidsduur en de daaruit voortvloeiende inkomsten of over de tijden waarop deze arbeid moet worden verricht. Deze aanspraak legt druk op werkgever en werknemer om tot duidelijke afspraken te komen. Art. 7:628a BW heeft een de werknemer beschermende strekking.

 

Voorwaarden voor toepassing van art. 7:628a BW zijn: dat de arbeidsomvang minder dan 15 uren per week is, en dat de tijdstippen waarop arbeid verricht moet worden niet zijn vastgelegd, dan wel indien de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd.

 

De mogelijkheid bestaat dat bij een werknemer die meerdere malen per dag wordt opgeroepen - door de 3 uren die per oproep gerekend moeten worden - bepaalde tijdvakken elkaar gaan overlappen, waardoor sommige uren die dag 'dubbel' worden beloond. De Hoge Raad is van oordeel dat dit in lijn is met het wetsartikel. Daarmee wordt tevens bevorderd dat de werkgever het werk zodanig inricht dat de werknemer niet meerdere malen per dag voor telkens een korte periode wordt opgeroepen, dan wel dat - indien dat resultaat niet wordt bereikt - de werknemer wordt gecompenseerd voor de daarmee gepaard gaande onzekerheid.

 

Tip: Het is de bedoeling van de wetgever om de situatie na een werkonderbreking, die niet bestaat in een reguliere werkpauze, aan te merken als een nieuwe periode van arbeid die aanspraak geeft op de door art. 7:628a BW gegarandeerde beloning van minimaal 3 uur loon. Ter voorkoming van 'dubbele' beloning is het aan de werkgever om duidelijke afspraken te maken over tijdstippen waarop arbeid verricht moet worden.

 

Bron: Hoge Raad, 3 mei 2013, LJN: BZ2907.

 

Mark Uilhoorn, Uilhoorn & Fritse Advocaten.

 

Een aangepaste versie van dit artikel verscheen in HR Praktijk

 

 

 

« Nieuwsoverzicht

 

Nieuwsbrief
Nieuwsbrief